| Nederlandse Vereniging voor Schisis en Craniofaciale Afwijkingen |
|
Dit is informatie over aangeboren afwijkingen aan lip, kaak en gehemelte. De medische term voor deze afwijkingen is "schisis": het Griekse woord voor spleet. Deze informatie zal veel vragen beantwoorden. Het is echter niet de bedoeling, dat dit de plaats inneemt van het persoonlijk contact tussen u en de specialisten van het behandelteam. Ouders die een baby met een aangeboren afwijking hebben gekregen, vertellen vaak dat de geboorte naast vreugde, veel tegenstrijdige gevoelens oproept. De teleurstelling is vooral groot, wanneer de afwijking voor iedereen duidelijk zichtbaar is. Dit gevoel van teleurstelling is heel normaal. Om alles te kunnen verwerken hebben de ouders steun en advies nodig en antwoord op de vragen die bij hen opkomen. Wij zullen proberen antwoord te geven op de meest voorkomende vragen, zoals: - hoe is de schisis ontstaan; - wat zullen de mensen zeggen; - wat is een schisisteam; - hoe gaat het met de voeding; - hoe moet het kind worden verzorgd; - hoe gaat het bij de ziekenhuisopnames; - hoe kan het kind goed leren praten; - zullen er problemen met het gehoor zijn; - hoe zal het gebit van het kind eruit gaan zien.
Er zullen waarschijnlijk nog vele vragen onbeantwoord blijven. Het is verstandig al uw vragen op te schrijven, zodat deze bij een bezoek aan de specialisten niet kunnen worden vergeten. U kunt altijd een schisisteam bij u in de buurt bellen een afspraak maken voor een bezoek. De schisis wordt behandeld door een team van specialisten, die nauw met elkaar samenwerken. Van ouders en kind wordt veel uithoudingsvermogen en geduld gevraagd, want de behandeling kan, onderbroken door rustperioden, duren tot het kind volledig is uitgegroeid tot volwassene.
Ongeveer 1 a 2 op de 1000 baby's heeft een schisis. In de meeste gevallen is de oorzaak niet duidelijk. Schisis kan ontstaan door een combinatie van aanleg-factoren en stoornissen van buitenaf in de periode tussen 6 en 12 weken. De oorzaken van schisis kunnen in drie groepen worden ingedeeld:
1. Een stoornis in de zwangerschap Tot in de 6e a 9e zwangerschapsweek bestaat er bij iedereen een dubbelzijdige lip-, kaakspleet en tot de 9e a 12e week een gehemeltespleet. Normaal groeien de verschillende delen naar elkaar toe en versmelten. Geschiedt dit proces niet of onvolledig, dan zullen er spleten blijven bestaan. In het specifieke gedeelte van de site is dit verder uitgewerkt. 2. Genetische factoren Hieronder verstaan we een stoornis in de aanleg van het kind zelf, d.w.z.: - ontstaan op het moment van de bevruchting. Iets dergelijks treedt bijvoorbeeld op bij een chromosoom (=erfelijkheidsmateriaal) afwijking. Meestal zijn er dan behalve een schisis nog andere aangeboren afwijkingen aanwezig, en/of - via een of beide ouders is de aanleg tot schisis doorgegeven. Schisis komt dan voor bij b.v. een of beide ouders, en/of een of meerdere familieleden. 3. Een combinatie van factoren Dit komt het meeste voor: schisis ontstaat meestal door een combinatie van aanlegfactoren en van tijdens de zwangerschap in de "gevoelige periode" opgetreden stoornissen. Schisis ontstaat dus meestal door meer dan een factor: men noemt dat dan ook "multifactorieel".
De baby kan een spleet hebben in: - de lip (cheilo-schisis); - de lip en de kaak (cheilo-gnatho-schisis); - de lip, de kaak en het gehemelte (cheilo-gnatho-palato-schisis); - het gehemelte (palato-schisis). De verschillen tussen deze vormen van schisis kunnen groot zijn (zie illustraties a-d). Zo zijn er enkelzijdige en dubbelzijdige spleten. Verder kan de spleet smal of breed zijn, zelfs onzichtbaar; dan zit er weefsel overheen. De uiterlijke vorm van de schisis geeft geen duidelijk beeld van de ernst van de afwijking. Men kan niet zeggen dat een onzichtbare spleet in het gehemelte "minder erg" is dan een zichtbare spleet van lip en kaak en gehemelte. Het is namelijk van tevoren niet te voorspellen hoe de resultaten van de behandelingen uiteindelijkzullen zijn. Die zijn onder andere afhankelijk van de manier waarop het kind zal uitgroeien. Soms heeft een kind bchalve schisis ook andere verschijnselen. Deze kunnen velerlei zijn: het kan gaan om een achterstand in geestelijke ontwikkeling, om atwijkingen aan hart, oren, nieren, enz. Bij elk kind met schisis is zorgvuldig onderzoek naar andere afwijkingen noodzakelijk. Het is belangrijk om dit niet te lang na de geboorte te doen Ouders maken zich vaak zorgen over een herhaling bij een eventueel volgend kind. Hoe groot de kans hierop is, is afhankelijk van een aantal factoren. Als u hierover meer wilt weten, kunt u terecht bij een erfelijkheidsdeskundige. U kunt zelf of via het schisisteam contact leggen. Een overzicht van klinisch genetische centra vindt u in het tweede gedeelte van dcze brochure onder rood.
Verschillende vormen van schisis
a. Lipspleet, links compleet; rechts incompleet b. Lip-kaakspleet, enkelzijdig c. geisoleerde gehemeltespleet d. Lip-kaak-gehemeltespleet, dubbelzijdig Bij c. en d. is het neustussenschot zichtbaar
Het is voor ouders niet makkelijk om na de geboorte van een baby met schisis alle gevoelens en reacties onder ogen te zien. Om deze emoties goed te verwerken is het belangrijk, dat zij hun gevoelens met elkaar bespreken. Als U zelf heeft leren omgaan met Uw gevoelens, wordt ook het contact met familieleden, vrienden en buren minder moeilijk. Later zal blijken, dat u ook met het kind makkelijker over zijn schisis zult kunnen praten. Foto's uit de babytijd van het kind kunnen hierbij goed als hulpmiddel worden gebruikt.
Gelukkig komen er vanuit de omgeving vaak positieve reacties waar U steun aan zult hebben, maar buren, familieleden of vrienden reageren soms onhandig als zij uw kind zien. Als u hierop niet bent voorbereid, kunt u dit als pijnlijk of kwetsend ervaren. U moet proberen te begrijpen dat dit kan komen door onzekerheid en angst. Mensen die er geen raad mee weten, kunnen vreemd op de situatie reageren. Dit mag er niet toe leiden, dat ouders hun kind wegstoppen of dat zij vluchten voor de werkelijkheid.
Soms hoort u dat de behandeling van een ander kind met schisis heel anders verloopt. U moet echter bedenken dat geen twee kinderen zich hetzelfde ontwik-kelen, zodat de behandeling van ieder kind anders kan zijn. Het is belangrijk dat u met uw vragen hierover bij de leden van het team komt.
In de praktijk blijkt, dat ondanks allerlei moeilijkheden, alles meestal goed verloopt. De meeste kinderen met schisis ontwikkelen zich zowel lichamelijk als geestelijk net zo als kinderen zonder schisis. Zij hebben in principe normale ontwikkelingskansen.
Voor iedereen zullen er minder problemen ontstaan als de ouders van het begin af aan zo open mogelijk over de afwijking en over hun reacties en emoties spreken. Praten met andere ouders die hetzelfde meemaken of hebben meegemaaktkan ook steun geven. Dit kan bijvoorbeeld via de Oudervereniging BOSK. (BOSK, werkgroep schisis, belangenbehartiging ouders en kinderen met een schisis, postbus 3359, 3502 GJ Utrecht, oso 2459090 www.bosk.nl of info@bosk.nl ).
Behalve voor het uiterlijk kan de schisis ook gevolgen hebben voor het gehoor, de spraak, de neus en de ontwikkeling van de kaken en tanden. Diverse specialisten houden zich hiermee gezamenlijk bezig. Zij vormen een team. In het team werkt steeds een vaste groep specialisten zodat ze op elkaar zijn ingespeeld en op de hoogte zijn van elkaars behandeling. Zo komen ze tot een samenwerking die specialisten afzonderlijk niet kunnen bereiken Het doel van de behandeling is dat eindresultaat te bereiken, waarmee kind en ouders tevreden zijn. Aangezien de kinderen zijn volgroeid tussen het 16e en 20e levensjaar en dan pas het eindresultaat van alle behandelingen duidelijk is, zullen de controles van het schisisteam tot die tijd blijven duren. Veelal met grote tussenpozen, afhankelijk van wat er gedaan moet worden. De schisis op zich kan niet ongedaan worden gemaakt. Littekens blijven altijd enigszins zichrbaar. Omdat ieder kind in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier uitgroeit, zal de behandeling voor ieder kind individueel worden vastgesteld. Deze zal dan ook niet bij alle kinderen hetzelfde zijn. De volgende specialisten (in alfabetische volgorde) kunnen deel uitmaken van het team: - de foniater (spraakarts) is een keel-, neus- en oorarts die zich speciaal bezighoudt met stem- en spraakafwijkingen; - de kaakchirurg is de specialist die langs operatieve weg de kaakspleet en de stand van tanden en kaken corrigeert; - de keel, neus- en oorarts (KNO-arts) controleert het gehoor en behandelt eventuele oorontstekingen, stoornissen aan het gehoor en problemen met de neus en het neustussenschot; - de kinderarts onderzoekt de algehele lichamelijke toestand en kijkt na of er meer aangeboren atwijkingen zijn. Voor iedere operatie doet hij een lichamelijk onderzoek naar de gezondheid van het kind; - de klinisch geneticus of erfelijkheidsdeskundige kan de ouders vertellen wat het herhalingsrisico is in geval van een volgende zwangerschap. Ook kan hij vertellen wat voor het kind zelf en voorde andere kinderen uit het gezin de kansen op het optreden van schisis bij hun kinderen zijn; - de logopedist is deskundig op het gebied van problemen van de primaire mondfuncties (zuigen, slikken, kauwen) en van stem, taal en spraak en de behandeling daarvan; - de mondhygiënist geeft instructies met betrekking tot een goede mondverzorging en maakt gebitsafdrukken, plaatst en verwijdert orthodontische apparatunr. - de orthodontist is de tandarts-specialist die met behulp van plaatjes, losse beugels en vaste beugels de stand van de kaken, tanden en kiezen corrigeert; - d e plastisch chirurg opereert de lip en het gehemelte en voert eventueel noodza-kelijke lip- en neuscorrecties uit; - de prothetist is de tandarts die met behulp van prothetische voorzieningen (kronen, bruggen, frames, enz.) gebreken aan de tanden en kiezen of de tandbogen corrigeert; - de psycholoog, pedagoog, moatschappelijk werker of socioal verpleeglundige verzorgt de eerste opvang van de ouders na de geboorte van de schisisbaby en kan bij problemen van ouders of kind adviezen geven.
Een zuigeling zuigt: het is zijn lust en zijn leven. Zuigen is een manier om voedsel in te nemen, maar ook een manier om onlustgevoelens te bevredigen. Bovendien is het zuigen de beginfase van de ontwikkeling tot volwassen mondgedrag: bijten, kauwen, slikken en spreken. Het is dus niet alleen belangrijk dat het kind zijn voedsel binnenkrijgt; ook de manier waarop is belangrijk. Bij kinderen meteen lipspleet of een lip-kaakspleet doen zich wat betreft het zuigen en slikken meestal geen moeilijkheden voor, zodat borstvoeding vaak wel mogelijk is en flesvoeding meestal weinig problemen geeft. Is er (ook) sprake van een gehemeltespleet (van het zachte en/of harde gehemelte), dan kunnen zich problemen voordoen met het zuigen en slikken. Borstvoeding zal dan meestal moeilijk zijn, omdat de baby in de mond geen vacuüm kan maken. Hierdoor kan het kind niet voldoende zuigkracht ontwikkelen. Ook de flesvoeding kan problemen opleveren. Bij deze kinderen kan bijvoorbeeld de Haberman Feeder worden geprobeerd. Deze is via het schisisteam, de BOSK, de thuiszorgwinkels en de apotheek te verkrijgen. Een aantal ziekenfondsen en verzekeringen vergoedt deze fles. Soms kan een speciale speen uitkomst bieden. In de meeste schisisteams kan - in geval van voedingsproblemen - de logopedist, orthodontist en/of speciale verpleegkundige ingeschakeld worden. Als uw kind voedingsproblemen heeft, is het dus raadzaam om het schisisteam te raadplegen. Zo doet een logopedist onderzoek naar de reflexen en de functies in het mondgebied en observeert het drinkgedrag van de baby. Naar aanleiding daarvan kan zij adviezen geven ten aanzien van onder andere de houding waarin het kind gevoed wordt en de vorm van voeden (borstvoeding, flesvoeding: welke speen). De overgang van borst-/flesvoeding naar lepelvoeding verloopt bij een kind met schisis in principe op dezelfde manier en op hetzelfde moment als bij een kind zonder schisis. Het zal mogelijk wat meer tijd en aandacht vragen. Rond de leeftijd van acht maanden gaan baby's kauwen en kunnen er dus andere voedings-samenstellingen gegeven worden. Op de leeftijd van een jaar kan een kind uit een gewone beker leren drinken. Bij kinderen met een schisis zijn er ten aanzien van de lepelvoeding, het kauwen en het drinken uit een open beker meestal geen problemen te verwachten. Wel kunnen ze last hebben van het terugkomen van voeding door de neus. Uitgebreide informatie over de voeding vindt U in het speciefieke gedeelte van deze site onder het kopje voeding en mondverzorging..
De mondverzorging De mondverzorging is bij kinderen met schisis extra belangrijk. Na elke voeding kunt U de mond van de baby met een beetje water (eventueel met wat zout er in opgelost) schoonmaken, zodat er geen voeding achterblijft. Vanaf de leeftijd van ongeveer vijf maanden kan fluoride worden gegeven. Gedurende het eerste en tweede levensjaar krijgt het kind een tabletje. Door de tabletjes tot poeder te maken kunnen ze met een slokje water of het fruithapje worden vermengd. Na de doorbraak van de eerste melktand kunt u beginnen met tandenpoetsen zonder tandpasta. U hoeft niet bang te zijn dat daardoor het gehemelte wordt beschadigd. Baby's houden van zuigen en sabbelen. Ze verkennen voorwerpen niet alleen met hun handen, maar ook met hun mond. Verbied dit niet in het eerste levensjaar. Het hoort erbij, net als duimen. Het ene kind doet dit meer dan het andere. Het duimen kan met een fopspeen misschien worden ondervangen. Kinderen duimen dan minder. Bovendien is het sabbelen op een fopspeen later beter af te leren dan het duimen. Een fopspeen kan tot het tweede à derde levensjaar gebruikt worden. Daarna is het aan te raden de fopspeen alleen 's nachts te laten gebruiken, zodat u het kunt afbouwen. 's Nachts kan de fopspeen dan nog gebruikt worden om 'tot rust te komen'. Beter is nog om de fopspeen te vervangen door een knuffel als uw kind 'troost' nodig heeft. Dat zoetigheid slecht is voor het gebit, geldt voor iedereen. Bij kinderen met schisis moet hieraan nog meer aandacht worden besteed, omdat zich bij hen later vaak problemen met de stand van het gebit voordoen. Voor de orthodontische behandeling daarvan is het van het grootste belang dat het gebit in optimale staat is. Alle limonadesiropen, ook yoghurtdranken met vruchtensmaak en vruchtensiroop zoals de rozebottelsiropen (behalve Roosvicee-dieet), bevatten veel suiker. Het is dan ook beter om - met water verdund - vruchtensap te geven. Deze verdunning is aan te raden, omdat puur vruchtensap via het open gehemelte in de neusholte kan komen en dat nogal prikkelend werkt. Kalk kan toegevoegd worden om het zuur te "doven". Als vanaf het begin aan thee, pap, yoghurt en dergelijke geen suiker wordt toegevoegd, is het kind aan deze smaak gewend en zal het de suiker niet missen. In 1998 publiceerde het Ivoren Kruis een herzien advies voor de toepassing van fluoride ter preventie van tandbederf. Het belangrijkste van dit advies is het gebruik van (gefluorideerde) peutertandpasta vanaf het eerste tandje tot vijfjarige leeftijd. Vanaf het vijfde levensjaar wordt het gebruik van 'gewone' fluoridetandpasta aanbevolen. Hieronder volgt het advies: 0 t/m 1 jaar: Vanaf de doorbraak van het eerste tandje één keer per dag poetsen met fluoride-peutertandpasta (met 500-750 ppm fluoride). 2, 3 en 4 jaar: Twee keer per dag poetsen met fluoride-peutertandpasta (met 500-750 ppm fluoride). 5 jaar en ouder: Twee keer per dag poetsen met gewone fluoride-tandpasta (met 1.000-1.500 ppm fluoride). Voor alle leeftijden geldt: extra maatregelen op individueel advies van de consultatiebureau-arts, tandarts of mondhygiënist zijn mogelijk. In het huidige fluoride-basisadvies komen geen fluoridetabletjes meer voor. Deze worden alleen nog op indicatie geadviseerd.
Meer over de mondverzorging vindt U in het speciefieke gedeelte van deze site onder het kopje voeding en mondverzorging.
Een kind met schisis heeft weliswaar een aangeboren afwijking, maar voor het overige is het een kind als alle andere. Het heeft dan ook een normale verzorging en een normale opvoeding nodig. Als het kind ziek wordt zal zonodig de huisarts worden ingeschakeld. Het is heel begrijpelijk dat u sneller bezorgd bent over de gezondheid van uw kind, maar meestal kan uw huisarts u direct helpen. Alle kinderen moeten ook gewoon naar het consultatiebureau waar ze de injecties tegen kinderziekten krijgen. De consultatiebureau-arts geeft tevens adviezen over de samenstelling en hoeveelhe-den van de voeding die het kind nodig heeft. Het is niet zo dat het kind al door zoveel artsen van het schisisteam wordt gezien, dat in al deze zorgen en adviezen vanzelf wordt voorzien. Het consultatiebureau neemt een onmisbare plaats in bij de algemene verzorging van het kind. Het is verstandig het kind, vanaf de leeftijd van tweeeneenhalf jaar, mee te nemen naar de tandarts voor de halfjaarlijkse controles. Bovendien went het kind dan aan deze bezoeken, zodat tandheelkundige behandelingen niet als bedreigend zullen over komen.
Het is belangrijk dat u uw kind goed voorbereidt op een opname. Als het kind nog heel klein is, kunnen ziekenhuisspelletjes met de pop of knuffelbeer helpen bij de voorbereiding. Als een kind zelf nog niet goed kan praten, begrijpt het vaak wel veel van wat er wordt gezegd. Vertel zo goed mogelijk wat er gaat gebeuren, de dagindeling, de gang van zaken op de afdeling, enz. Praat ook over de vervelende kanten van het ziekenhuis. In de openbare bibliotheek zijn boekjes voor diverse leeftijden te leen, die als hulpmiddel kunnen dienen. Als het kind 1 jaar of ouder is, is het zinvol om voor de opname de afdeling te laten zien. Het kind weet dan waar het komt te liggen. U kunt hiervoor telefonisch een afspraak maken met de verpleging. Tijdens dit bezoek kan de verpleegkundige u vertellen over de gang van zaken. Als het kind in het ziekenhuis ligt, is het erg fijn om wat lievelingsspeelgoed mee te hebben. Dat is iets vertrouwds in een vreemde omgeving. Neem daarom niet alleen wat extra kleren en pyjama's mee, maar ook een knuffelbeest, pop, of foto van het gezin of de hond. (Schrijf hierop de naam van uw kind). Bij de opname zal naar de gewoonten van uw kind worden gevraagd. De verpleeg-kundigen kunnen hier dan zoveel mogelijk rekening mee houden. Op de dag van de opname krijgt uw kind soms een prik om het bloed te controleren. Het kind wordt dan ook door een kinderarts onderzocht. Deze kijkt of zijn conditie zodanig is dat de operatie kan plaatsvinden. Soms blijktnader onderzoek nodig, de operatie wordt dan uitgesteld. Als u hiermee rekening houdt, zal de teleurstelling over dit uitstel makkelijker te verwerken zijn. De eerste uren na de operatie kan uw kind nog erg slaperig of misselijk zijn of pijn hebben. Geeft u het niets te eten of te drinken zonder overleg met de verpleegkun-dige. Het kan zijn, dat uw kind veel huilt als u bij hem of haar bent. Bij wie kan het beter zijn gevoelens uiten dan bij de ouders. Laat dit geen reden zijn om weg te blijven! Afscheid nemen blijft altijd een moeilijke zaak. Het beste kunt u dit zo kort mogelijk houden: zeggen dat u gaat en wanneer u terugkomt. Geef dit ook door aan de verpleegkundigen of spelleiding. Die kunnen het kind opvangen als het door het afscheid erg verdrietig is. Omdat een kind met schisis zo vaak naar het ziekenhuis moet en vervelende behandelingen en operaties moet ondergaan, is het niet zo makkelijk om hem normaal op te voeden. Snel zal bij de ouders, maar ook bij andere mensen in de omgeving de neiging ontstaan, om het kind meer te ontzien en te verwennen. Toch is het kind daarmee niet gebaat; wel met liefde, aandacht en steun van de ouders.
Bij kinderen met schisis komen grote onderlinge verschillen voor in de afwijking, die al of niet van invloed zijn op de spraak. Een geisoleerde lipspleet of een gespleten lip en kaak veroorzaken doorgaans geen spraakproblemen. Is er echter een gespleten gehemelte, dan kan dat bij het ene kind leiden tot problemen met het spreken, terwijl bij een ander kind het spreken vrijwel normaal is. Als zich spraakproblemen voordoen, zullen deze door de spraakdeskundigen van het schisisteam worden onderzocht. Zij zollen daarbij letten op: - spraakontwikkeling; - taalontwikkeling; - nasaliteit (neusklank). Kinderen leren alleen praten als u tegen hen praat. U moet goed en duidelijk spreken, niet te snel en in goede zinnen (niet in kromme kindertaal). Als uw kind een woord verkeerd uitspreekt, lach het dan niet uit, en laat het hem niet herhalen. Het is beter om zelf het woordje nog eens op de juiste manier te gebruiken in een passend zinnetje. Het leren praten moet spelenderwijs gebeuren. Neem geen genoegen met gebaren alleen. Laat bij elke poging tot spreken uw waardering blijken. Praten moet voor uw kind plezierig zijn. Het moet net als ieder ander kind enthousiast kunnen vertellen over wat het heeft beleefd. Verdere informatie hierover vindt u in het specifieke gedeelte van deze site bij spraak en taal.
Een grote groep van kinderen met schisis (50%) heeft in meer of mindere mate te kampen met een verminderd gehoor. Dit gehoorverlies is in principe tijdelijk. Om de samenhang tussen de gehoorproblemen en een gespleten gehemelte te verduidelijken, is het van belang te weten dat er een nauw verband bestaat tussen het middenoor, de buis van Eustachius en de gehemeltespieren. Dit wordt in het specifieke gedeelte van deze site, "Het gehoor", verder uitgelegd. Jonge kinderen merken dit gehoorverlies zelf niet op. Het ziJn bijna altijd de ouders of de leerkracht op school, die het gehoorverlies, soms pas na maanden, opmerken. Een langdurig gehoorverlies kan van negatieve invloed zijn op de taal- en spraakontwikkeling. Gelukkig kan op eenvoudige wijze, door middel van het plaatsen van trommelvliesbuisjes, het gehoor worden genormaliseerd. Bij het ouder worden van het kind zal dit oorprobleem over het algemeen vanzelf verdwijnen. Uw kind kan evenals elk ander kind, klachten krijgen van zijn neus- of keel-amandelen. Als u denkt dat medische behandeling noodzakelijk is, is het zeer verstandig u voor advies hierover tot de keel-, neus- en oorarts van het schisisteam te wenden. Hierdoor kan worden voorkomen dat de neus- en keelamandelen ten onrechte worden verwijderd. Door deze ingreep kan nl. bij een kind met schisis "open-neusspraak" ontstaan of verergeren.
Het komt bij kinderen met schisis nogal eens voor dat het doorkomen van de tanden in het gebied van de spleet niet volgens het verwachte patroon verloopt: soms komen er teveel of te weinig tanden en soms is de stand of de plaats niet goed. In het melkgebit hoeft hier niets aan te worden gedaan: dezelfde problemen kunnen zich in het blijvende gebit voordoen. Er bestaat een grotere kans dan bij kinderen zonder schisis dat een beugel-behandeling noodzakelijk zal zijn. Vooral om die reden wordt zo de nadruk gelegd op het gezond houden van zowel het melkgebit als het blijvende gebit: als er een beugel nodig is, moet het gebit zo gaaf en sterk mogelijk zijn. Voor de toekomstige behandeling van uw kind door de tandarts en de orthodontist, is het belangrijk dat er een goede relatie ontstaat tussen uw kind en uw tandarts. Begin met een kijkje in de wachtkamer en behandelkamer als u er zelf ook moet zijn. Vanaf tweeeneenhalf jaar kan het kind mee naar de tandarts voor de halfjaarlijkse controle op de mondhygiene, het vullen van eventuele gaatjes en voor mogelijke adviezen.
In het specifieke deel van de site, "Gebit en Kaak", wordt de behandeling van het gebit en de kaken uirgewerkt.
| |